Hoofdstuk 869
Het Land van Duisternis gonst in vredige stilte onder zijn drietal manen. Een donkere wezel zet zijn kleine kont op de grond en zucht tevreden, terwijl hij zijn neus naar de lucht optilt en de koele nachtlucht opsnuift. Of de daglucht. Hij weet het eigenlijk niet - het is hier allemaal hetzelfde. Hij begint zich af te vragen of er in de buurt wilde kool groeit -
BOEM.
De wezel schreeuwt en draait zich om op zijn staart, terwijl hij wegrent van de vierentwintig mensen die plotseling uit het niets verschijnen, elk met hun armen vol met een stuk yurt of een dierbaar bezit.